Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for februari, 2010

  

Reconstrueren wat niet te reconstrueren is

Yerna van den Driessche – Reconstructie 

48 pagina’s – Uitgeverij P, Leuven

Een ‘debutant op leeftijd’, heet dat dan: Yerna van den Driessche (1949) debuteert op haar zestigste als dichteres. Na een lang werkend leven in een scheikundig laboratorium – ze heeft ook een toneelopleiding, overigens – begon ze, naar eigen zeggen naar aanleiding van het lezen van het gedicht ‘De plek’ van Herman de Coninck, aan een opleiding creatief schrijven  die ze in 2008 voltooide. Vanaf het begin was het duidelijk dat de gedichten van Yerna ‘iets’ hadden. Altijd stond het beeld centraal in haar poëzie, maar nooit ging het alleen om het beeld. Er was ook altijd iets te vertellen. Het beeld stond, helder geformuleerd en zonder al te veel omhaal beschreven, in dienst van het verhaal van het gedicht. En dat verhaal ging altijd over een van de ‘grote’ thema’s: de dood, het lijden, de liefde, familie en relaties. Het was het soort poëzie, kortom, dat mensen raakt en het is dan ook niet verwonderlijk dat Van den Driessche vrijwel onmiddellijk hoog begon te scoren bij allerlei poëzie-wedstrijden. Dank zij haar geïnspireerde voordracht werd ze ook op het podium een graag geziene gast.

De poëzie van Van den Driessche is ook echt poëzie van iemand die al een heel leven achter zich heeft. De oudere dichter heeft iets te vertellen en doet dat op rustige, bedachtzame toon. De jongere heeft vaak vooral iets te bewijzen en doet dat vaak in ronkende taal. Dat is overigens geen waardeoordeel – beiden kunnen geweldige poëzie opleveren – maar Van den Driessche valt duidelijk in de eerste categorie. Heel haar leven heeft de dichteres in haar haar mond moeten houden of in ieder geval in de schaduw moeten staan en nu is er zo veel te vertellen. Ironisch genoeg is een van haar ingrijpendste ervaringen, degene waar deze bundel over gaat, van vrij recente datum. In 2007 overleed haar zus Alice en Reconstructie is een poging daarmee in het reine te komen.

Het is altijd vreemd en een beetje eng om voor het eerst een bundel te lezen van een dichter die je gevolgd hebt en waarvan je dus veel ‘losse’ gedichten kent. Op een website, in een tijdschrift of op het podium staan gedichten nou eenmaal in een totaal andere context dan als ze, verdeeld in cycli, voorzien van een overkoepelende titel, tussen twee kaften worden samengebracht. Als je een bundel leest ga je namelijk ook op zoek naar verbanden en structuur en komen gedichten in een heel ander licht te staan. Gelukkig heeft Van den Driessche dit heel erg goed begrepen en heeft ze van Reconstructie geen verzameling van haar best gelukte gedichten gemaakt (al zou dat voor een debutant begrijpelijk zijn) maar een hecht thematisch geheel.

Dat komt al tot uitdrukking in de titel, de opdracht (‘in memoriam mijn zus Alice’) en de omslagafbeelding. Die toont een meisje met vlechten in een ouderwets jurkje. Maar zonder gezicht. Het verhaal achter deze afbeelding is gruwelijk: toen de zus van de dichteres dood in haar huis gevonden werd was haar gezicht inmiddels opgegeten door haar hond. Een beeld zo afgrijselijk kan een mens niet zomaar als losse herinnering met zich meedragen, ronddrijvend in het onderbewuste waar hij ieder moment kan opduiken. Nee, zo’n beeld moet onschadelijk gemaakt worden, gevat worden in iets, in woorden, het moet een symbool worden. Er moet, als je een dichter bent, poëzie van gemaakt worden.

Het openingsgedicht, met de wat vreemd aandoende, titel ‘Het maken van een masker in functie van de reconstructie van een gezicht’ begint daar dan ook voortvarend mee. Eerst noemt het de benodigdheden op: ‘een cuttermes / een stuk vinyl / een vijl / een vorm voor het gezicht’. Het zijn opvallende woorden voor iemand die aan een in memoriam begint. Concrete, harde voorwerpen zijn het. Een cuttermes (ik kende het woord niet, het gereedschap dat bedoeld wordt was mij bekend als ‘hobbymes’ of ‘afbreekmes’. Het is ook, geheel terzijde, een vreemd woord omdat een mes per definitie bedoeld is om mee te snijden), een vijl, het zijn voorwerpen die in de associatie met een gezich een onheilspellende bijbetekenis hebben. Een gezicht is immers een zacht iets en de gereedschappen klinken hier in hun grofheid meer als wapens. Vinyl is een taai, weerbarstig materiaal en het staat hier voor mijn gevoel dan ook symbool voor de moeilijke taak die de dichter wacht. En voor die zware opdracht heeft de dichter stevig gereedschap nodig. Maar ook nog:

een kleine dosis zelfdestructie
een matige dosis sarcasme
een dosis optimisme
een grote dosis affectie

Daar heb ik dan weer veel minder mee. Het spelletje ‘klein – matig – … – groot’ werkt niet. Er is tot nu toe niets in dit gedicht dat hier betekenis aan zou kunnen geven en het lijkt er op dat dit een van de weinige plaatsen is waar Van den Driessche zich laat verleiden tot een taalspelletje om het taalspelletje. De laatste regel is ook nog eens overbodig. Zonder ‘een grote dosis affectie’ zou je natuurlijk nooit een bundel aan iemand opdragen.

Het tweede deel van het gedicht beschrijft de werkwijze, het maken van het masker en het (in gedachten) daar leggen waar het gezicht ontbrak. De dichter instrueert ons het masker te vijlen ‘tot je vingers en handpalmen gevoelloos worden’. En ze schrijft: ‘je zet een stap terug / bij gratie van afstand krijgt het masker / menselijke trekken’. Het is het soort paradox dat veel terugkomt in deze bundel. We willen dicht bij de geliefde blijven, de herinnering koesteren. Maar tegelijk is diezelfde geliefde dat afgrijselijke beeld. Het lijk. De dode, de ‘resten […] van haar / en huid waarop je gisteren kotste’ waar we het liefst zo ver mogelijk vandaan willen rennen. Over die tegenstelling gaat het in Reconstructie.

En hier had het openingsgedicht afgelopen moeten zijn, maar er staat nog ten overvloede:

verdriet op maat gesneden draagt gemakkelijker

Om de woordspeling kan ik wel glimlachen en de voorstelling van verdriet als een ding waar je stukken van af kan snijden tot het hanteerbaar is past helemaal in het gedicht maar het is jammer dat de dichter zich er, in haar streven toegankelijk te zijn, toe laat verleiden nog eens te melden dat het hier een bundel over de verwerking van verdriet betreft.

Reconstructie heeft een min of meer chronologische indeling. De eerste cyclus, ‘Vertekende beelden’ behandelt jeugdherinneringen die de dichter heeft aan haar zus. Of: denkt te hebben. Want het herinneren zelf wordt onmiddellijk geproblematiseerd. Dat gebeurt in de titel maar ook door het motto, ontleend aan Louis Paul Boons Verscheurd jeugdportret: ‘Het is een vreemd spelletje aan vroeger terug te denken… Het is bijna niet te geloven hoe weinig er is overgebleven, hoeveel hiaten er zijn, en stukken van flarden waar men geen raad mee weet…’. Dus als je net als ik van mening bent dat vertellingen van vroeger niet bepaald garant staan voor spannende poëzie kun je gerust zijn: voor het overgrote deel denkt Van den Driessche er net zo over. Er zijn wel de verstilde beelden die onstaan omdat een gedicht een herinnering, een korte flits, probeert vast te leggen en die soms het tempo uit de gedichten halen. De gedichten zijn ook niet erg diep gelaagd, maar ze worden altijd omgeven door twijfel of, zoals in ‘Oma in clair-obscur’, verluchtigd met een verwijzing en verrijkt met een beeld dat meer universeel is:

zij dunt jonge sla, tussen duim en wijsvinger
trekt het leven korter. ik mag gulzig
de prille aardbeien vóór het dessert

Het krachtigst zijn deze herinneringen als ze door de gebruikte bewoordingen direct aan het heden en aan de rest van de bundel refereren:

Soep 

altijd werd ze te heet opgediend
altijd morsten wij geluiden
met bolle wangen dreven wij de vetoogjes
over de rand, gluurden wij naar moeder

we hadden een pact, jij de balletjes
ik de letters, zo puzzelde ik
verminkte zinnen op de rand van het bord

en dat het stormde in mij
en dat ik haar wou zijn, Alice
in Wonderland, hebben ze nooit begrepen

voor een pratend wit konijn hadden ze geen oren

Opvallend is ook het veelvuldig gebruik van paradoxen en oxymorons in deze cyclus: ‘bedrieglijke lichtheid’, ‘dat wij ons laafden aan een opgelegde zomer’, ‘novembermist en grijze vrolijkheid’, ‘betrapt verdriet’, ‘loden dekens’ of, over de zussen die voor het eerst een zware ruzie tussen hun ouders meemaken: ‘we zijn weer wat kleiner’. Wat de functie van deze tegenstellingen is weet ik niet precies. Ik weet ook niet of de dichter ze er bewust in heeft gestopt maar ze lijken te staan voor het bitterzoete, het mengsel van nostalgie en verwijt, dat jeugdherinneringen, en vooral die aan de ouders, nou eenmaal altijd hebben.

De tweede cyclus uit de bundel heet ‘Uitfaden’ en handelt ook over het gezamenlijk verleden van de dichter en haar zus, maar nu veel explicieter gezien vanuit het nu en dus vanuit het gemis van de dode. Dit keer lopen de herinneringen ook door tot aan de dood van Alice en in het jaar daarna. Deze gedichten vormen een echt verhaal en zijn dus heel concreet en beschrijvend. De hond, die ook de dood vindt (al wordt het niet duidelijk of hij is afgemaakt of een natuurlijke dood stierf), de buren en de  forensisch onderzoekers met hun witte jassen komen langs. Het verschil met ‘Vertekende beelden’, waar het vooral ging om het ophalen en in stand houden van herinneringen, is dat je de indruk krijgt dat de dichter deze herinneringen, die zo overweldigend en onuitwisbaar zijn, juist wil afzwakken maar dat niet kan.

Dit is ook het beste deel van de bundel, het soort poëzie waar Van den Driessche werkelijk schittert. Haar observaties zijn altijd scherp en ze verstaat de kunst ze op zo’n luchtige, licht-ironische toon te verwoorden dat ze hard aankomen. In ‘Dertien’ vertelt ze hoe ‘de mannen in witte jassen’ het huis van haar zus doorzoeken:

twaalf bruine peuken in en rond de asbak
verdwijnen in een plastic zak, nog goed
dat ik er één heb weggenomen

Van den Driessche is, zo bleek al uit het openingsgedicht, op haar best met concrete, tastbare dingen. Die manipuleert ze in haar gedichten met groot vakmanschap. Met abstractere begrippen en expliciet benoemde gevoelens is ze minder vaardig. Vaak duikt er dan ineens een formulering op als ‘het schreeuwt in mij’ of ‘de boom huilt’. Nee, doe me dan maar ‘een kwetterende beukenhaag’, ‘een neurotische tram’, het cuttermes en de vijl of het ultieme voorwerp uit Reconstructie: het verslag van de lijkschouwer. In het één na laatste gedicht van de bundel hebben de concrete dingen, de naakte feiten, het definitief gewonnen van de gevoelens, zo lijkt het. De dichter leest het, een jaar na dato, (nog één keer: ) voor het eerst (correctie door de dichter) en citeert er ruim uit in een lang gedicht. Een hele dichtbundel lang hebben we deze verwondingen voor ons gezien, weerspiegeld in herinneringen en gedachten van de dichter, en nu horen we ze beschreven in koude, klinische termen. Eindelijk is er dan die ‘afstand’ uit het openingsgedicht, die de dingen weer een menselijk aanzien moet geven. Of, zoals het in het gedicht staat:

voor het eerst is er een barst
in de krop van het geluid,
worden vuisten weer handen
voor het eerst is er een vóór en ná

Ik ben van mening dat Van den Driessches poëzie interessanter zou zijn als ze de zaken iets minder expliciet zou maken, iets meer zou ‘verdichten’, en iets meer aan de lezer over zou laten. Daar staat tegenover dat het toegankelijk zijn een bewuste keuze is. Een keuze, ook, die haar tot nu toe veel succes heeft opgeleverd.

En er komt nog bij dat ik zelden zo’n goed gecomponeerde bundel heb gezien, zeker niet van een debutant, waarin zo’n zwaar onderwerp zo vakkundig en leesbaar wordt ontleed en beschreven.

Bouke Vlierhuis

Advertenties

Read Full Post »

Dames en heren,

Ik ben binnengedrongen in een prachtig woud. Het is er gevaarlijk, een beetje hachelijk, het is er soms koud en donker, maar het geurt er heel fris, als vlak na de regen, en wanneer het eerste zonlicht doorbreekt heeft de weldadige warmte een rustgevend en kalmerend effect. In deze woorden heb ik alles gezegd over de poëzie van Yerna Van den Driessche. En ik weet waarom ik dat beeld van een woud inzet. Een flits van evidentie gaf me dat beeld in.

Dante ontvouwt in zijn Goddelijke Komedie een visionaire kijk op de toekomst, en hij doet dat door de zielen die hij in alle regionen van de Hel, de Louteringsberg en het Paradijs ontmoet, te laten reageren op toekomstige feiten in zijn stad Firenze en zijn land Italië. De Komedie is een monument van grote rijkdom, zowel historisch, retorisch als compositorisch. We leren Dante kennen, maar ook de politiek van zijn dagen.

Het woud is het woud van Dantes verbeelding. Het is het woud van de existentie, van de liefde — maar dat woud symboliseert ook een crisis. Mogelijk een midlife crisis. ‘Natura artis magistra’, zoals het boven de ingang van de Amsterdamse Artis-dierentuin prijkt. En inderdaad. De dieren die je in Artis kan ontmoeten zijn de wilde dieren die de politiek actieve Dante belagen in zijn ‘selva oscura’. Het waren zijn vijanden in Firenze, stad van het licht waaruit hij verbannen werd. Op een symbolisch geladen Goede Vrijdag natuurlijk, om dood en nakende herrijzenis te kunnen benutten. Het woud laat immers een subtiel spel van donker en licht toe.

Deze bundel van Yerna Van den Driessche is eveneens een ‘selva oscura’, en zoals Dantes Goddelijke Komedie een symbolisch geladen en louterende projectie, waarin we vooral een familie leren kennen. Een projectie van een verleden op een heden. Maar allebei zijn ze problematisch. Dat heeft vooral met twee redenen te maken: het verleden is onbetrouwbaar, slechts kenbaar via reminiscentie en reconstructie, het is een Augiasstal die moet worden uitgemest; het heden is een doek waarop verdriet en een gevoel van ‘verweesd zijn’ geprojecteerd worden. Verdriet noch verlatenheid zijn gespeend van vragen. De bundel is een enscenering van die dubbele problematiek, en zoekt er een oplossing voor in het helder krijgen, het ver-helderen, het focuseren van het schimmige verleden met haar puberale divagaties, en het neutraliseren van haar meer hardnekkige impact, het dempen van de leemte. Hoe doe je dat?

De Becketiaanse oplossing voor het dempen van de leemte is die leemte te benoemen in woorden die zelf-revelerend zijn, woorden die de leegte achter de taal laten voelen. Oude, vertrouwde taal was voor Beckett een victoriaans badpak dat helemaal uit de tijd was. Een nieuwe taal drong zich op. Een taal die cognitieve hiaten zou laten zien. Geen enkel woord is wat het lijkt bij Beckett. Ik heb daar vaak aan gedacht bij het lezen van Yerna. Omdat ook haar het spel van de ontluistering tot magische resultaten leidt. In een soort drama-atmosfeer waar het publiek van toeschouwer in speler verandert, waar de afstand tussen bühne en publiek wordt opgeheven. Al lezende herkende ik me in de geportretteerde problematiek, zodanig zelfs dat ik er zelf deel van leek uit te maken. Dat was een zeer sterk effect.

Op de schutbladzijde vind ik een ‘in memoriam’. De bundel is aan een overleden zus opgedragen. Het ‘in memoriam’ is ook een memorandum. Een gedenkboek. Maar omdat die zus ook maar een van de hoekpunten is van een veelhoek, is de aanleiding, haar overlijden, het excuus om het over die veelhoek te hebben waar de andere punten staan voor de vader, de moeder, de oma en de dichteres zelf. De onderlinge verhoudingen, de verhouding van al die personages tot de zoëven genoemde projectie van verdriet. Ik zie ze inderdaad als personages die in een geometrische figuur zijn terechtgekomen, en ik moest bij het lezen van de bundel vaak denken aan de opnames van hoorspelen waar ik destijds bij betrokken was. We hadden de gewoonte om personages te spatiëren in de ruimte in funktie van hun figuurlijke afstand t.o.v. elkaar. Deze allusie op het medium van een hoorspel wordt me ingegeven door de woorden van de dichteres zelf, die het inderdaad over een ‘uitfaden’ heeft, terwijl ze haar personages regisseert; ze hanteert ook heel nadrukkelijk geluiden, en de tegenstelling tussen spreken en zwijgen is alom voelbaar, in vele gradaties, van schreeuwen tot fluisteren. De bundel is een beetje een treurig hoorspel waarin de verteller zich verzet tegen de oude ‘zwijgplicht’. Het hoorspel wordt ook een treurspel. Yerna zit samen met haar personages op de eerste rij parterre, zegt ze, ‘boven onze hoofden speelt het drama waarvan wij de voetnoten zijn’. Er zijn wonden geslagen. Maar ‘de nobis ipsis silemus’ — over onszelf zwijgen we, aldus Francis Bacon in het voorwoord bij de ‘kritiek van de zuivere rede’ van Immanuel Kant.

In dat treurig hoorspel, laat ik het daarop houden, wordt een sprookje verteld. Een spel van geluiden en beelden (want haar poëzie is ook muziek, haar poëzie is ook visuele kunst). Een spel vol betovering, maar net zoals elk sprookje ook een spel met een donkere nachtzijde vol angst inboezemende gruwelen. Sprookjes moesten in het verleden van Yerna zelf verzonnen worden, en kennelijk was ze daar goed in, want ook deze bundel openbaart zich heel sprookjesachtig. Bijna wou ik zeggen ‘zoals dat gaat met woorden’, een bijzin die ik meermaals tegenkom bij Yerna, bijzin die heel typisch de idee van resignatie insluit, idee die toelaat dat men de grenzen van het zegbare kan verleggen. Woorden gedragen zich weliswaar als een poliep in het mucus van conformisme; ze hebben ook iets sprookjesachtig; woorden hebben nu eenmaal hun donkere connotaties die resoneren in onze ervaring van de alomtegenwoordige pijn van het bestaan. Woorden willen spreken, maar ze willen ook zwijgen. Ik weet wat zwijgen is, zegt Yerna ergens, ik zet de radio af, in het verlengde van de hoorspelmetafoor. ‘Ik zwijg hoewel het schreeuwt in mij’. Alles in haar wil expressie zijn, maar er is de prop in de mond die dat belet. Zwijgen wordt schreeuwen. Al zijn we als lezer doofstom en ‘zien’ we die schreeuw alleen.

De psychoanalyticus Lacan heeft ergens geschreven dat het onbewuste, of datgene wat niet in woorden kan uitgedrukt worden, zijn spiegel vindt in wat niet gezegd kan worden door belangrijke anderen, zoals de ouders. Zoals Virginia Woolf, geplaagd door een echte huistiran van een vader, die zijn vreselijke woede-aanvallen vooral tegen de meisjes richt en zijn gram voor het oog van de wereld haalt, zoals Virginia Woolf ons vaak het gevoel geeft dat ze de prop uit de mond van haar personages neemt, door hen weer in contact te brengen met de wereld van het onbewuste, zo neemt Yerna het masker weg waarachter de echte werkelijkheid, het echte verleden, zich verbergt. En daarin moet ze het doen met vitale clues, er zal dus sprake moeten zijn van een omzichtig decoderen.

Poëzie, dat weet Yerna, heeft met angst te maken, angst die steeds gebaseerd is op iets dat niet lekker zit, angst die in de zin van Georges Bataille naar een schuldgevoel verwijst. De meeste dichters beseffen niet dat ze belaagd worden door een schuldgevoel. Yerna wel. Zij weet dat alle boeiende poëzie tegen de notie ‘hard werken’ indruist. Zij illustreert de positionering van Beaudelaire en Kafka, die er zich allebei van bewust waren dat ze zich opstelden aan de zijde van het kwaad, het kwaad dat een schuldgevoel verriedt. Bij Beaudelaire zag je het al in de titel van zijn verzen: Fleurs du Mal. Kafka onttrok zich aan de wens van zijn familie, om zich verdienstelijk te maken in de zakenwereld, en kwam daardoor in een staat van culpabiliteit terecht. Ook Yerna verraadt soms het gevoel van een kind dat voor haar ouders staat. Poëzie is voor haar (en gelukkig maar) de terugkeer naar een staat van kind-zijn. Niemand van haar lezers zal haar begrijpen, als dat niet ten volle beseft wordt. We moeten ook herinnerd worden aan het ‘kinderlijk’ karakter van alle erotiek, om deze verzen ten volle te kunnen smaken. Yerna wil ver genoeg gaan tot ze de angst voelt, ook in haar erotische momenten.

In de geometrie van wij, ik, jij, zij, zoals de personages worden aangeduid, wordt de jij het meest direct aangesproken. Jij kan slaan op een personage, maar ook op de lezer, en dat verleent het voornaamwoord een haast troublerend karakter. Misschien ook omdat Yerna ons meteen meeneemt naar de keuken van haar poëtica, al van in het eerste gedicht. Dat gedicht klinkt als een recept voor een gerecht: de gebruiksaanwijzing voor een reconstructie. Pratend over de benodigheden heeft ze het over een kleine dosis zelfdestructie, een matige dosis sarcasme, een dosis optimisme, een grote dosis affectie. Moeten we het daarmee doen, of zijn er nog niet aangekondigde elementen in het geding?

Stilistisch, laat ik daarmee beginnen, worden er heel veel elementen, en heel knappe elementen, ingezet, zoals daar zijn: neologismen (‘zachtkeelse dood’); oxymorons (‘stilleven van geweld’, ‘een opgelegde zomer’, ‘grijze vrolijkheid’, ‘loden dekens’, ‘geparfumeerde dood’); synesthesie (‘we morsten geluiden’, ‘geluiden hangen aan de muren’); associaties van figuurlijke en letterlijke betekenissen (vetoogjes in de soep worden echte ogen, ogen is trouwens een beeld dat vaak terugkeert, zoals elders in ‘één oog blijft hangen’); het gebruik van heel rauwe beelden, zoals de ‘pruimende mannen die hun diepste rochels met de precisie van een kogel in de koolbak mikken’; het gebruik van ‘blaffende metaforen’ (sic, 35) (…); personificaties (zoals de ‘straatmus die haar siësta neemt’), slow-motion effect (‘de langzaamheid van tamme veren’), allerlei woordspelletjes (zoals de wervels die wrevels worden); beelden uit de wereld van de electriciteit (‘bezettoon’, ‘stekker uittrekken’, ‘kortsluiting’) en de grote associatieve kracht die überhaupt uitgaat van sommige verbindingen, zoals in ‘jas van rijm en mist’, de onheilspellende kracht van annunciaties, zoals in ‘net als dat jongetje wou ik de mooiste vogel zijn’; de onheilspellende beelden als ‘sanseveria’s als soldaten’ en überhaupt de heel krachtige beelden zoals in ‘krijg ik de lach van de wanhoop niet gedicht’, ‘de hel rijdt op vier wielen’, ‘ik houd de stoel bezet met jouw geur en kleur’, ‘ik, een kameleon, zit met geopende bek aan de oever van de Lethe’, ‘Hij zette het mes in de jonge borst en wij voelen nu nog de krop’.

Maar ook inhoudelijk overstijgt de bundel de reconstructie-problematiek, het projectie-syndroom, het rugzak-gemis zoals Yerna zo treffend verwijst naar de last van haar te dragen verlies. Leven en dood tekenen elk woord, het is waar, maar dan vooral in een zoektocht naar zin, zoektocht naar een leven dat, cangiando loco, de moeite waard is geleefd te worden. Niet toevallig citeert Yerna Simone de Beauvoir: ‘waarom zou je willen leven als leven alleen maar was: niet sterven?’ Dat leven moet meer zijn dan een loutere negatie. Het moet een bevestiging worden. En het lijkt alsof die bevestiging er nooit kan komen zo lang de misverstanden, de distorties, niet zijn opgeruimd. Deze bundel schept ruimte om af te rekenen.

Een ander aspect is het zichzelf betrappen van de dichteres op haar onhandige omgang met de dood. Ze staat onbeholpen tegenover een wereld die haar overkomt: ze staat in de wachtkamer van de dood, zegt ze, en weet niet hoe ze balsemen moet. Ze leert haar doden voor de ondergang te redden, voor de vergetelheid vast ook, door hun lichaam, hun beeltenis met woorden te balsemen. Ze idealiseert ze niet, ze trekt geen stèles op, ze wil haar doden alleen niet te vlug prijsgeven, omdat ze nog zoveel sporen van mysterie achterlaten.

De begaafde, scherpzinnige, energieke Amerikaans-Engelse cultdichteres Sylvia Plath probeerde vergeefs in haar gedichten de destructieve kracht van de dood te bezweren. Haar jonggestorven vader was een beslissende rol in haar leven blijven spelen; ze had haar jonge leven verspild in de schaduw van haar man (de al even bekende dichter Ted Hughes); de verstikkende verzen van Plath probeerden haar vergeefs te bevrijden uit de uitzichtloze situatie waarin haar poëzie haar had doen stranden. Yerna zet samen met Plath de deur open voor een gewaagde zelfconfrontatie. Ook bij haar laat de dood tot in de kleinste woorden zijn bemoeizucht voelen. Maar Yerna is die kwalijke kracht in haar verzen te vlug af. Ze behandelt de dood nu eens als een moment, zwanger van geheimzinnige stiltes, dan weer als een vilein wijf, zoals Jeroen Brouwers zou zeggen. Vooral als een uitnodiging om intens te leven. Die intensiteit zit in de woorden zelf. De woorden, die daarmee een uitnodiging worden voor ons allemaal.

Wie zijn die doden? ‘Het is een vreemd spelletje: aan vroeger terug te denken. Het is haast niet te geloven hoe weinig er overbleef, hoeveel hiaten er zijn, waar je geen raad mee weet’. Het motto van Louis Paul Boon is revelerend. Yerna komt uit een arbeidersgezin. Haar (niet altijd nuchtere) vader was metser en seizoenarbeider, haar moeder stikster en net als haar vader seizoenarbeidster. Een wazige moederfiguur overigens. Er wordt ons gemeld: ‘je rug moeder, hebben we het best gekend, alsof je alleen maar uit rug bestond’. Haar zus was een kapster. En wie was zij zelf dan in dat arbeidersmilieu? Een onbegrepen buitenbeentje, zo blijkt. Althans in de ogen van haar familie. Want het antwoord is veel complexer. En de bundel dient juist om een antwoord te zoeken. Een poging tot zelfdefinitie in functie van een ontmaskering, ontmaskering van de schijnwereld die het leven in dat arbeidersmilieu was, en ook in functie natuurlijk van de magie van de herinnering. Yerna observeert zichzelf als in een aquarium. Ze is haar eerste lezeres. Ze kijkt net als wij naar de glazen wanden van een aquarium en ziet de exotische vis zwemmen in het koele water. Ze probeert te ontdekken wie het was die in de ogen van anderen ‘een lastige bel’ werd, ‘een dwarse kei’, een ‘smekend sleutelgat’. Haar poging tot zelfdefinitie is niet gespeend van gevaar. Het is een latent gevecht tegen zelfhaat. Ze wordt misselijk van de haat, zegt ze ergens. Ze ‘zoekt een glimlach die bij haar past’. Opnieuw een beeld dat bij de regisseur past, die ze is. Een regisseur die het beste beeld zoekt voor de schijnwereld, de façade, waarmee ze wil afrekenen. ‘We hadden een pact’, zegt ze in een van haar mooiste beelden, terwijl ze soep aan het verorberen is, ‘jij de balletjes, ik de letters, zo puzzelde ik verminkte zinnen op de rand van het bord’.

Yerna wou iemand zijn, maar voelde zich onbegrepen. Er is disfazione tussen wie ze in de ogen van anderen was en hoe ze zichzelf in haar wensdromen percipieerde. In die disfazione loopt ze rond als een sprookjesachtige Alice in Wonderland, altijd op zoek naar de onvermoede kracht van het detail. Scheuren hielden onze slaap en sprookjes wakker, zegt ze heel mooi, en gaat op zoek naar de meest accurate beschrijving voor die scheuren.

Het woord scheuren laat al vermoeden dat er veel verzwegen agressie in deze verzen schuilt. Agressie bedolven onder een hoop zachtheid. Veel van die agressie vloeit voort uit het alcoholisme van de eeuwig groen schuimende vader. De bundel lijkt de agressie op te bouwen, om de gruweldood die aan het slot onder de anonimiteit van een dossier met een nummer verdwijnt, aannemelijk te maken als een slot, dat Yerna heel humiliter, simpliciter, fideliter uitwerkt, naar het dictum van Thomas a Kempis.

Het verdriet, waarover de dichteres zichzelf aan het begin van de bundel nog admoneert om het op maat te snijden, opdat het dan makkelijker gedragen wordt, moet aan het slot plaats ruimen voor analytische zakelijkheid. Het vermoeden van belijdenislyriek, die aan het begin nog sluimerde, is daarmee volledig verdreven. Het verdriet is een ‘betrapt verdriet’ geworden. De dichteres heeft onderweg besloten niet meer te veinzen. De schijnwereld bestaat niet meer. Wat ook de consequenties van haar poëtica, de dichteres zal ze accepteren en zal ook de moed daarvoor vinden. In en dankzij de woorden. Ze heeft geleerd woorden heel anders te laten klinken, betekenissen te laten her-betekenen, nieuwe signifié’s te laten ontstaan, zoals het wuif-riet. Ze keert het proces van ‘alsmaar beter worden in het doen-alsof’ om tot een ‘alsmaar beter worden in het onverbloemd weergeven van de naakte realiteit’. Ze heeft leren balsemen, schimmen door een bloeddronk tot leven wekken, zoals Dante die de schimmen van zijn zielen weet te portretteren als mensen van vlees en bloed. Dives en Lazarus komen samen. De daad van wrok — omwille van een gekrenkt ego — wordt uiteindelijk een zege… een zege in poëzie.

De kracht van Yerna’s poëzie is vergelijkbaar met die in de poëzie van Myriam van Hee. Ze gebruikt haar beelden heel consekwent, als volgt het ene beeld uit het andere om ons te voeren naar een punt waar het gedicht haar zwaartekracht vindt, het cruciale punt van waaruit betekenis wordt verleend. Er ontstaat telkens een soort sneeuwlawine-effect. Je had er geen idee van dat het sneeuwballetje van een pueriele peccadillo aan het begin zoveel drama in zich droeg.

Alles gaat goed, met deze dichteres, uitstekend zelfs, we weten alleen nog niet waarheen het zal gaan. We zijn razend benieuwd.

(copyright) Bart Stouten

Read Full Post »

Nog een lente

Read Full Post »

Reconstructie
Yerna Van Den Driessche

 

De aanleiding voor de debuutbundel Reconstructie tart alle verbeelding: Alice, de zus van de dichter, wordt in augustus 2007 dood aangetroffen in haar woning. Zonder gezicht. Naast haar zat de hond. Dit is niet het begin van de nieuwe Aspe of Deflo, dit is het voorwoord van een bundel die een kroniek van een aangekondigde dood in zich meedraagt. Yerna Van den Driessche publiceerde eerder al werk in o.a. Het Liegend Konijn en de Poëziekrant. Met deze bundel zet ze een ijzersterk debuut neer.

Het maken van een masker
In functie van de reconstructie van een gezicht


I benodigdheden
een cuttermes
een stuk vinyl
een vijl
een vorm voor het gezicht

een kleine dosis zelfdestructie
een matige dosis sarcasme
een dosis optimisme
een grote dosis affectie

II werkwijze

je neemt een cuttermes
je legt de vorm van het gezicht
op een zuiver stuk vinyl
je snijdt een masker zonder gaten

heb ook voor het kleine detail
de tere ronding van de kaaklijn
het voorhoofd hoog en strak
de zachte kin half vrouw half meisje

je vijlt je draait het masker
met tussenpozen regelmatig
tot de rand spiegelglad

tot je vingers en handpalmen gevoelloos worden

pas dan leg je het masker op de plek
waar nog resten kleven van haar
en huid waarop je gisteren kotste

je zet een trap terug
bij gratie van afstand krijgt het masker
menselijke trekken

verdriet op maat gesneden draagt gemakkelijker

De laatste zin van het openingsgedicht vat de ganse bundel samen: slechts door het grote leed te benoemen en het zich met mondjesmaat eigen te maken, kan het ooit verteerd/verwerkt worden. Bij de benodigdheden krijgt de lezer de oppositie tussen materiaal en abstractie voorgeschoteld, bijna achteloos lees je erover. Ze snijdt het gezicht uit vinyl, hard, het had even goed zijde of satijn kunnen zijn. Neen, het nieuwe gelaat van haar zus moet bestand zijn tegen het leven, gehard door het verleden, onverwoestbaar in de toekomst.  Het nieuwe levensmasker krijgt echter geen eerlijke kansen: vitale levensopeningen blijven achterwege. De mond zal zwijgen en nooit voedsel tot zich nemen, de oren nooit het gekwetter van de vogels of het geroddel der afgunst opvangen, de ogen nooit het grijze van de achterbuurt of de lach van een kind registreren. Met liefde wordt het masker tot een gelaat gevijld dat de realiteit van de dood moet doen vergeten.  Handen worden dof van het verdriet dat je wezenloos aanstaart. Yerna neemt je mee, laat je over de schouder meekijken naar haar reconstructie. Steeds weer duik je op in het scheppingsproces en je wordt willens nillens deelachtig aan haar verdriet: verdriet op maat gesneden en met anderen gedeeld draagt gemakkelijker.

In tegenstelling tot het openingsgedicht worden de andere gedichten in de bundel ondergebracht onder vier lemmata: Vertekende beelden, Scharnier, Uitfaden en Afwerking.

In het tweede deel van de bundel keert de dichteres terug naar de uithoeken van haar geheugen en zoemt in op haar verleden. Dat het geen aangename herinnering is, bewijst het taalgebruik dat uit de versregels toewaait:

In onze straat waren de huizen / in zichzelf gekeerd, de rolluiken / gifgroen, voor tweederde naar beneden
(uit: Onze straat)

 
Zelfs als er feest is, klinkt het weemoedig:

 

 

alleen op vrijdag rook het huis / naar Oostende, novembermist / en grijze vrolijkheid
(uit: Zeekruis)


of
achter muren van nepbeton / hielden scheuren onze slaap / en sprookjes wakker
(uit: Nepbeton)


en ten slotte

je rug, moeder, altijd gebogen / over gaten van sleet en kattenkwaad / maar nooit over sprookjes // die moesten we zelf verzinnen
(uit: Rug)

 
Wat opvalt bij al deze verzen is dat de hoop nooit helemaal wordt opgegeven en dat steeds weer dat sprankeltje hoop de mogelijkheid ziet om de kop op te steken in het geheel: de rolluiken zijn niet helemaal gesloten, de vrolijkheid is weliswaar grijs, maar aanwezig. De troosteloosheid van het nepbeton verhindert niet dat er sprookjes schuilgaan: sprookjes die de zussen zelf verzonnen omdat moeder het niet deed. Ondanks de pieken van hoop en kindergeluk glijden de gedichten steeds verder af naar een confrontatie die steeds duidelijker aan de oppervlakte komt drijven.

 

Soep

 
altijd werd ze te heet opgediend
altijd morsten wij geluiden
met bolle wangen dreven wij de vetoogjes
over de rand, gluurden wij naar moeder

we hadden een pact, jij de balletjes
ik de letters, zo puzzelde ik
verminkte zinnen op de rand van het bord

en dat het stormde in mij
en dat ik haar wou zijn, Alice
in Wonderland, hebben ze nooit begrepen

voor een pratend konijn hadden ze geen oren

Bij het nalezen van het gedicht bleek dat ik Alice in Wondeland getypt had en stond verbaasd van deze lapsus die zo correct de leefwereld van de twee zussen samenvat. Het gedicht opent met het wellicht iets te voor de hand liggende woordspel van de hete soep, maar dan dat heerlijke morsen van geluiden, de synesthesie van de ondeugende zussen die golfjes over de soeprand bliezen en tegelijk in het oog hielden of moeder er iets van zei. De kinderlijke deelpassie: jij de balletjes, ik de letters. Dan kantelt het visuele tafereel de harde realiteit van de derde strofe binnen. In het gezin was er geen plaats voor dagdromen, fantasie is not done. Wie is Alice? Is ze zichzelf én het witte konijn? Of is ze alleen Alice? Of alleen het witte konijn? Yerna sleurt je mee naar de 19de eeuw, naar Lewis Carroll, zonder ooit de ouderlijke woonst te verlaten.

Het deel Uitfaden opent met een citaat van Simonne de Beauvoir. Waarom zou je willen leven als leven alleen maar was: niet sterven? Uitfaden, langzaam uit beeld verdwijnen, oplossen in een waas van zichzelf. Doorheen de gedichten groeit een steeds bredere afstand tussen de zussen.

(…)
maar het litteken nadien
de rode striem die ze liet zien
hoe fier ze daarop was
tot op de dag dat ze viel
in een poging om te vliegen
zoals de duiven boven haar hoofd,
de breuk die niet genas

dat litteken en alle andere
hebben we nooit mogen zien
(uit: Houvast)

 

De brandwonde van de kachel, het echte litteken van Alice, verborg ze voor niemand. De innerlijke wonden waren alleen voor zichzelf zichtbaar.
De cyclus evolueert verder in Rugzak gemis waarin Yerna dicht:

 

(…) ik maak mij klaar voor een eerste zondag/  zonder zus. In mijn rugzak stop ik / een speels wijsje uit haar blokfluit / en teddy met het loense oog / (…) alleen ik en teddy met het loense oog / horen zusjes schalkse lach

Het gedicht met de titel Bezettoon doet het ergste vermoeden. Langzaam glijden we af naar de aangekondigde dood. Achter elk woord gaat de lezer op zoek naar signalen, tekens die haar/zijn vermoeden bevestigen.

Bezettoon
          (06-08-2007)
Op een dag trok je de stekker uit, liet je
alle lichten aan voor een laatste stilte

          (ik weet niet meer wat ik die dag heb gedaan
          mogelijks winterprei en nieuwe aardbeien geplant
          Oost-Indische kers ontdaan van wildgroei
          molshopen aangestampt, kruiden gewied)

misschien wou je ons, het leven straffen
om het te weinig waren we blind van het teveel

          (zeker is dat ik de krant heb gelezen
          onder de catalpa langdradig geluncht:
          muntthee en volkorenbrood dik belegd
          met magere kaas en citroenmelisse)

(…)

Terwijl  Yerna’s zus uitfade, zoomt de dichteres steeds nauwkeuriger in op de dagelijkse beslommeringen die ze die bewuste dag onderging. Hoe krachtig kunnen openingszinnen zijn? Hoe subtiel wordt het taalspel van de stekker uittrekken met alle lichten aan? Hoe accentueren lichten een laatste stilte? Hoe probeert een achterblijver de uren, minuten en seconden van een onheil te plaatsen in eigen herinneringen? Hoe gaat men om met het afscheid van een geliefde?
De volgende gedichten behoren zonder uitzondering tot de sterkste van de bundel. Steeds dieper graaft Yerna in het verdriet dat haar omringt. De hond die tot op het laatste de wacht hield bij haar overleden zus en uit hongerrazernij aan het lichaam begint te bijten: (…) dierenvraat, gemis van weke delen / van de kin tot de glabula, vlakke plek op het voorhoofdsbeen. / (…). Diezelfde hond die de dichteres begraaft onder de pijnboom met het scherp van de snee, met blaffende metaforen dring ik dieper dan wortels.
Ik moet me inhouden om niet uit elk gedicht te citeren, want dan is er geen reden meer om deze bundel te kopen.

 

Ooit vertelde ik tijdens een interview met een journalist van De Standaard naar aanleiding van Gedichtendag 2003 dat heel veel gedichten ontstaan uit een gemis, het herbeleven en verwerken van een (on)verwerkt verdriet. Dergelijke gedichten geraken echter zelden uit het keurslijf van de eigen omgeving. Slechts weinigen is het gegeven om een verdriet uit te werken tot een gedicht dat dit persoonlijke overstijgt. Bart Stouten omschreef het als volgt in zijn openingswoord tijdens de bundelvoorstelling: ‘De kracht van Yerna’s poëzie is vergelijkbaar met die in de poëzie van Miriam Van hee. Ze gebruikt haar beelden heel consequente, als volgt het ene beeld uit het andere om ons te voeren naar een punt waar het gedicht haar zwaartekracht vindt, het cruciale punt van waaruit betekenis verleend wordt. Er ontstaat telkens een soort sneeuwlawine-effect.’

Yerna Van den Driessche is er met haar debuut glansrijk ingeslaagd om een leven en dood onder woorden te brengen. Dat dit niet leidde tot drammerige verzen of hysterische herinneringsdrang, maar meer dan eens een glimlach op de lippen toverde, bewijst voor mij de absolute kracht van dit debuut. Bij herhaalde lectuur zal je telkens weer verrast worden door de vele vertellagen die de bundel in zich draagt. Slechts 29 gedichten, maar wel poëzie die borg staat voor vele uren leesplezier.

Recensent: Yves Joris

 

Reconstructie – Yerna Van Den Driessche

Uitgeverij P, Leuven, 2009

ISBN 978 90 79433 34 6 – € 15,00

http://www.pzr.be

Read Full Post »